Het vrouwtje van Stavoren

De sage van 'Het vrouwtje van Stavoren'

Stavoren is de oudste en was weleer de grootste en rijkste stad van Friesland; een machtige koopmansstad, waar ook de Friese koningen hun verblijf hielden. De inwoners muntten uit in de zeevaart. Haar zeelieden zijn de eersten geweest, die door de Sont in de Oostzee kwamen. Maar na de dertiende eeuw begon de rijkdom af te nemen. De Noordzee had de kustlanden doorbroken; met het ontstaan van de Zuiderzee hadden de stromen zich verlegd en waren andere Friese kuststeden tot zodanige bloei gekomen, dat zij aan de overzeese handel van Stavoren afbreuk deden. De watervloeden hebben het grootste deel, het eigenlijke oude Stavoren vernield. Meer en meer verloor de trotse hanze-stad daardoor haar heersende positie ter zee. Aan deze ondergang van de middeleeuwse roem is de volgende sage verbonden:

Er woonde te Stavoren een rijke koopmansweduwe, die in haar overmoed de kapitein van één van haar koggen opdracht gaf, uit buitenlandse havens het kostbaarste te halen dat hij kon vinden. De kapitein deed tal van grote zeesteden aan, zag overal goed rond maar vond niets dat naar zijn mening het kostbaarste ter wereld kon heten. Toen hij Dantzig aandeed, ontdekte hij ergens in een pakhuis de mooiste tarwe die hij ooit had gezien, en dus viel hierop uiteindelijk zijn keuze. Hij laadde de tarwe in zijn schip en voer naar huis terug in de vaste overtuiging, dat hij inderdaad het kostbaarste ter wereld in het ruim had. Maar hoe zou hij worden teleurgesteld! De rijke weduwe was buiten zichzelf van woede, toen zij had gehoord dat haar schip in plaats van met het kostbaarste, met een lading tarwe was teruggekeerd.

‘Aan welke zijde heb je de lading ontvangen?’ vroeg zij de kapitein. ‘Aan bakboordzijde’, antwoordde de zeebonk. ‘Welnu’, gebood zij, ‘stort het dan aan stuurboordzijde in zee’. De kapitein deed wat hem bevolen was, terwijl de koopmansvrouw aan de wal stond toe te zien of haar bevelen wel precies werden uitgevoerd. Een oude man uit het volk, die vlak bij haar stond, greep deze verkwisting zozeer aan, dat hij haar opgewonden toeriep: ‘U zult voor Uw overmoed gestraft worden! Er komt nog een tijd, dat U zult gaan bedelen!’ Onverstoord draaide zij zich om, nam een gouden ring van haar vinger, gooide deze vervolgens in de golven en zei: ‘Zomin deze ring uit de zee terugkeert, zomin zal ik tot de bedelstaf vervallen’.

Korte tijd later na die gedenkwaardige dag vond de dienstbode van de weduwe de ring terug in de ingewanden van een schelvis, die zij voor het middagmaal klaarmaakte. Zij liet de ring aan haar meesteres zien en deze schrok hevig, toen ze de ring als de hare herkende. Enige dagen later bereikte haar het ontstellende bericht, dat al haar schepen op de terugreis met man en muis waren vergaan…

Nooit meer kwam zij deze slag te boven. En zo kwam de voorspelling uit; de eens zo rijke koopmansvrouw verviel tot de bedelstaf. Daar waar de kostbare lading in zee was gestort, verrees een zandbank, die nog steeds het Vrouwenzand wordt genoemd. Naar men zegt heeft op deze bank ooit een plant gegroeid, die halmen voortbracht, die op korenaren leken, maar nooit heeft men korrels in de aren gevonden.