History

Ontstaan

Het oude Staveren is ontstaan op een knooppunt van water- en landwegen. Het lag langs een riviertje, dat in het Vlie uitmondde. Het Vlie, was een brede geul, die de verbinding vormde tussen het Flevomeer en de Noordzee. Eén van van de oudste landwegen van het Duitse Rijk liep via Coevorden en Steenwijk naar Staveren en vandaar verder over het water naar Medemblik. Wie langs deze weg reisde, moest bij Staveren dus over het Vlie worden gezet. Schepen uit Utrecht voeren door de Vecht, via het Flevomeer en het Vlie naar de Noordzee en kwamen ook langs Staveren zij konden hierlangs ook Friesland verder invaren. Dit is waarschijnlijk ook de route geweest, die Bonifatius in 754 vanuit Utrecht naar Dokkum heeft gevolgd.

Het Odulfusklooster

Vanwege het drukke verkeer is het dan ook geen wonder, dat de monnik Odulfus hier een klooster stichtte. Hij was door de bisschop van Utrecht gestuurd om de afvallige Friezen opnieuw te bekeren en kwam via de Vecht, het Flevomeer en het Vlie in Friesland aan; voer daarna de rivier op waaraan het oude Staveren lag. Aan de mond van deze rivier, niet ver van het Vlie, stichtte hij in 837 zijn hoofdkwartier om van hieruit de Friezen terug te brengen tot het christelijk geloof. Dit hoofdkwartier groeide later uit tot het Odulfusklooster, genoemd naar zijn stichter. Verder is uit de tijd van voor het jaar 1000 heel weinig bekend. Alleen dat de Noormannen in 991 Staveren plunderden en in brand staken. Staveren moet ook toen al een belangrijke plaats zijn geweest, want de Noormannen kwamen alleen als er iets te halen viel.

Stadsrechten en handel

In de tweede helft van de elfde eeuw regeerde een Duitse gravenfamilie in Friesland. Ze kregen de naam Brunonen naar hun stamvader, die Bruno heette. Graaf Egbert, ook een telg uit deze familie der Brunonen verleende Staveren al in 1061 stadsrechten, die de Duitse keizer Hendrik V in 1118 bekrachtigde. Friesland, ja ons hele land, was in deze tijd immers een deel van het grote Duitse Rijk. Deze graaf en zijn opvolgers lieten o.a. in Staveren munten slaan. Van deze kleine zilveren munten – niet groter dan een dubbeltje – zijn in Friesland niet veel teruggevonden, maar wel in Schandinavië, Polen en Rusland. Bij opgravingen in 1963 en1964 op de Stadsfenne en 1996 op het terrein van het Blokhuis zijn sporen gevonden van houten huizen, pakhuizen en boerderijen uit de tijd tussen 1150 en 1250. Deze stonden langs een water waarvan de huidige Voordelft het laatste stuk is. De Staversen handelden met steden langs de Rijn, maar ook met plaatsen in Vlaanderen, Engeland en gebieden rond de Oostzee. De schippers vervoerden o.a. wijn, bier, natuursteen, hout, zuivelproducten, vis en Fries laken. Door de ontwikkeling van het koggeschip, na 1100, groeide deze handel enorm. Het koggeschip was het eerste vrachtschip, dat geschikt was voor massavervoer. Op de stadszegels van Staveren en andere Hanzesteden staat vaak zo‘n kogge afgebeeld. Met deze schepen durfden de schippers in de 13e eeuw om Jutland te varen. Dit heette de Ommelandsvaart. Bij de ontwikkeling van deze Ommelandsvaart speelde Staveren een voorname rol, want Staveren was in deze periode de belangrijkste stad van Friesland. De stad kreeg speciale privileges van de Deense koning. Staverse schepen kregen voorrang bij de Sonttol. De zuidelijke punt van Zweden hoorde in deze tijd bij Denemarken. De Sont, de verbinding tussen de Oostzee en de Noordzee, liep dus door Denemarken en de Deense koning liet alle schepen die van dit water gebruik maakten tol betalen. Schepen uit andere steden moesten soms dagen wachten; maar de Staversen werden als eerste geholpen. Voor dit speciale privilege moest ieder jaar de eerste Staverse schipper die in Denemarken aankwam, een rol Leids laken aan de tolbeambten geven. Dit gebeurde nog tot 1800. Staveren was lid van de Duitse Hanze. Dit was een machtig verbond van handelssteden, dat namens de verschillende lidsteden onderhandelde met de koningen van Noorwegen, Zweden en Denemarken en probeerde ervoor te zorgen, dat deze heren hun afspraken nakwamen.

Visserij

In de Middeleeuwen trok de haring naar de Oostzee om kuit te schieten. Toen de vissers éénmaal wisten hoe haring kon worden bewaard – kaken en zouten – trokken ze iedere zomer massaal naar de Sont. De vissers kwamen uit Denemarken en Duitsland, maar ook uit veel Nederlandse steden, zoals Kampen en Staveren. De Deense koning, gaf de vissers toestemming om zolang de haringtrek duurde, hutten op de vastewal te bouwen bij Skanör. De Staversen hadden hier ook een Vitte (dorpje) waar ze bij elkaar woonden en werden bestuurd door hun eigen oldermannen. Deze visserij hield op toen de haringtrek na 1400 van richting veranderde. De haring zwom niet meer naar de Oostzee, maar over de Noordzee in de richting van het Kanaal.

Verval

In 1400 was de grote bloei van Staveren lang voorbij. De belangrijkste oorzaak waren overstromingen in de 12de en de 13de eeuw. De zeegaten tussen de eilanden werden steeds groter en veel land tussen Harlingen en Texel maar ook voor Staveren verdween in zee. Al in 1238 werd het St. Odulfusklooster door de zee bedreigd en in 1415 stond van het oude klooster alleen nog een kapel op een heuveltje in zee. De monniken verhuisden daarom naar Hemelum. Bovendien werd Stavoren slachtoffer van de oorlogen tussen de graven van Holland en de Friezen en van de ruzies tussen Schieringers en Vetkopers in Friesland zelf. Staveren werd in 1414 door de Schieringers veroverd en het volgende jaar door de Vetkopers heroverd. In 1420 gingen bij een belegering honderden huizen in vlammen op. Staveren was een vestingstadje geworden; regelmatig wisselend van bezetter. De sage van het Vrouwtje van Stavoren gaat hierover; het is een romantisch verhaal over de ondergang van het oude, rijke en machtige Stavoren.

Het Blokhuis en een tweede bloeiperiode

Na 1525, maakte Friesland deel uit van het rijk van keizer Karel V. Om de Friezen in bedwang te houden liet Karel V een groot blokhuis bij de Staverse haven bouwen, dat er tot 1580 heeft gestaan. Daarna werd het gedeeltelijk afgebroken en verder in de stadswallen opgenomen. Bij opgravingen in 1996 zijn stukken van de muren en torens en veel kanonskogels gevonden.

Na 1600 begon een tweede bloeiperiode. De stad werd te klein en moest groter gemaakt -uitgelegd- worden. Er werd een nieuwe stadsgracht gegraven en er werden nieuwe muren, wallen en poorten gebouwd. Adam Westerman, die van 1602 tot 1616 dominee in Staveren was, heeft een korte geschiedenis van onze stad geschreven. Hij gebruikt hierin steeds de naam Stavoren en vertelt dat er 70 grootschippers woonden. Deze schippers voeren vooral naar de Oostzeelanden , maar ook naar Frankrijk en verder naar het zuiden. Voor de vaart op Indië leverde Stavoren geen schepen maar wel matrozen. Jacob Binkes en Adriaan Korf waren kapitein in dienst van een Amsterdamse reder. Adriaan Korf vocht ook als kapitein op een oorlogschip onder Michiel de Ruiter. Stavoren deed ook mee aan de walvisvaart. De bekendste walvisvaarder uit Stavoren was Gale Hamkes, naar wie een baai op Groenland is genoemd. Verder voeren uit Stavoren iedere dag veerschepen op Enkhuizen en Amsterdam. De scheepvaart bracht veel nijverheid mee. Veel nieuwe schepen, galjoten, koffen of smakken werden in Stavoren gebouwd. De stad had 4 scheepswerven en verder zeilmakerijen, touwslagerijen, een blok- en mastenmaker, maar ook zoutziederijen.

Stavoren na 1700

Na 1700 ging het opnieuw bergafwaarts met Stavoren. Een groot probleem was de haven. Deze verzandde telkens weer en moest regelmatig worden uitgediept. Verschillende Staverse schippersfamilies zochten daarom een andere thuishaven. De vierde Engelse oorlog, tussen 1780 en 1784, bracht de scheepvaart een nieuwe slag toe. Door de oorlog lag de scheepvaart vier jaar stil. De Franse tijd was de genadeslag voor Stavoren. Aan het aantal inwoners is deze achteruitgang goed zien In 1704 telde Stavoren 1604 inwoners, in 1795 nog 1235 en in 1815 nog maar 574. Toen was Stavoren van een handelstad met wallen en poorten in een vissersdorpje veranderd. Alleen de grachten waren nog over.

Over deze periode is in 2005 een boek verschenen, klik hier voor meer info over ‘Stavoren, periode 1740 – 1840, een verdwijnend silhouet?’ In de 19e eeuw ging het heel geleidelijk weer iets beter. Vooral de aanleg van de spoorlijn Leeuwarden – Stavoren en de daarop aansluitende veerdienst naar Enkhuizen in 1886 was een enorme opsteker en bracht veel bedrijvigheid mee. Door de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 verdween de noodzaak om een veerdienst te onderhouden. De Afsluitdijk was een regelrechte ramp voor de visserij. De visserij was in deze tijd de belangrijkste bron van bestaan in Stavoren en daarnaast werkte een flink aantal mensen bij de veerboot en de trein. Veel inwoners moesten opnieuw ander werk zoeken. De aanleg van het Johan Frisokanaal en de bouw van de nieuwe sluis in 1966 waren vooral voor het toerisme van groot belang. Dit is nu één van de belangrijkste bestaansbronnen van de Staversen. Gelukkig is de spoorlijn tot nu toe blijven bestaan, mede dankzij herhaalde protesten van de Staverse bevolking, en vaart de veerboot voor dagtoeristen vanaf 1 april tot 1 november iedere dag 3 keer heen en terug van Enkhuizen naar Stavoren.

Als u in Stavoren bent, neem dan even een kijkje in Toankamer ‘t Ponthús of kijk nu al vast op de website het ponthuus www.ponthuus.nl